Wraak en weerwraak tijdens het Beleg van Breda

Uitsnede van de kaart gemaakt door Claes Jansz. Visscher (II) met daarop het Beleg van Breda (1624-1625). In het midden het ruitergevecht met op de grond Bréauté. Links het kamp van Spinola, en rechts van Maurits. (Bron: Rijksmuseum, 1624)
Uitsnede van de kaart gemaakt door Claes Jansz. Visscher (II) met daarop het Beleg van Breda (1624-1625). In het midden het ruitergevecht met op de grond Bréauté. Links het kamp van Spinola, en rechts van Maurits. (Bron: Rijksmuseum, 1624)

Het beleg van Breda was ongetwijfeld de eerste belegering in Europa die kon rekenen op een uitgebreide verslaggeving in het ontluikende krantencircuit van die tijd. Hoewel de eerste Europese kranten al rond 1604 ontstonden, groeide hun aantal sterk aan na 1618, toen het begin van de Dertigjarige Oorlog de honger naar nieuws deed toenemen. In de Nederlanden zagen niet minder dan drie kranten het licht: de Courante uyt Italien en Duytschlandt van Jan van Hilten (? – 1655) en de Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren van Broer Jansz (1579 – 1652) in Amsterdam, en de Nieuwe tijdinge van Abraham Verhoeven (1575 – 1652) in Antwerpen.

Alle drie de uitgevers onderhielden goede relaties met de legerleiders van hun land – Maurits van Nassau (1567 – 1625) en Ambrogio Spinola (1569 – 1630) – en besteedden in hun krant veel aandacht aan de oorlog in de Lage Landen en dus ook aan het beleg van Breda. Met het oog op een bredere verspreiding in Europa werkten ze bovendien mee aan nieuwsprenten die een kaart combineerden met een relaas van de feiten dat grotendeels op hun eigen edities was gebaseerd. Op deze kaarten werden dan tafereeltjes aangebracht die de belangrijkste gebeurtenissen voorstelden, zoals het bezoek van de Poolse kroonprins aan het kamp van Spinola, de brand in de kerk van Ginneken of de uittocht van het staatse garnizoen na de overgave. Buitenlandse uitgevers konden dan de – eventueel aan de doeltaal aangepaste – kaart combineren met een eigen vertaling van de nieuwstekst, om zo de gebeurtenissen rond Breda op een meer inzichtelijke manier aan hun lezers te presenteren.

 

Op een van deze kaarten is een merkwaardig tafereeltje te zien: op een heuvel tussen de kwartieren van Spinola en Oranje vindt er een ruitergevecht plaats. Tijdens het beleg waren dergelijke gevechten natuurlijk niet ongewoon, maar het bijschrift ‘Breaute’ naast een man die dood op de grond ligt geeft aan dat het om een bijzondere gebeurtenis ging. In de legende wordt het tafereel geïdentificeerd als “Den Bergh daer Mons. Breaute verslagen is”. Wat was er zo merkwaardig aan deze actie, dat de uitgever ze belangrijk genoeg vond om op zijn kaart af te beelden? Om dat te begrijpen, moeten we terug naar de winter van 1600.

Duel op de heide

In het najaar van 1599 namen soldaten van het garnizoen van ’s-Hertogenbosch nabij Diest een groep Franse ruiters in staatse dienst gevangen. Die stonden onder het bevel van de toen negentienjarige kapitein Pierre de Bréauté (1580 1600), maar werden in diens afwezigheid aangevoerd door zijn luitenant Jacques de Visé (? – ?). Toen die zijn kapitein schreef met de vraag om het losgeld voor zijn manschappen te betalen, antwoordde Bréauté dat hij zich moest schamen dat hij en zijn mannen zich hadden laten gevangennemen door een minderwaardige tegenstander. De militaire gouverneur van ’s-Hertogenbosch, Anthonie Schetz baron van Grobbendonk (1564 – 1641), en diens luitenant, Gerard Abrahams van Houwelingen (1560 – 1600), bijgenaamd Lekkerbeetje, kregen lucht van de brief en daagden Bréauté uit tot een duel. Wekenlang werden er afspraken gemaakt en voorbereidingen getroffen. Uiteindelijk werd afgesproken dat tweeëntwintig Bossche ruiters het zouden opnemen tegen een even grote groep Fransen in een ruitergevecht met zwaard en pistool.

Op 5 februari 1600 begaven beide partijen zich naar de plaats van afspraak, de Vughterheide nabij de stad. In een furieus begonnen gevecht werden Lekkerbeetje en zijn broer al snel door de Fransen gedood, maar uiteindelijk moesten die toch het onderspit delven en konden de Bossche soldaten Bréauté en vier van zijn kompanen gevangennemen. Bréauté verwachtte dat er voor hen een losgeld zou worden gevraagd, maar tegen de gemaakte afspraken in werden zij ter plaatse geëxecuteerd als wraak voor de dood van de broers Abrahams. Er werd gezegd dat Schetz daartoe eigenhandig de opdracht had gegeven. Het gevecht sprak meteen tot de verbeelding en er werden tientallen gravures, gedichten en liederen aan gewijd. Belangrijke schilders als Sebastiaan Vrancx, Esaias van de Velde en Pieter Snayers vereeuwigden het op doek. Tijdgenoten spraken over het laatste ridderduel in de Nederlanden.

De weerwraak mislukt

Vierentwintig jaar later trok de zoon van Pierre de Bréauté, Adrien Pierre (1600 – ?), zelf nauwelijks vijfentwintig, met het ontzettingsleger van Maurits van Nassau naar Breda. Daar installeerde de prins zich bij Made tegenover het kwartier van Spinola. Van daaruit stuurde Bréauté een brief naar ’s-Hertogenbosch om Anthonie Schetz, die er nog steeds gouverneur was, voor een duel uit te dagen om de dood van zijn vader te wreken. Schetz antwoordde dat daarvan geen sprake kon zijn en dat hij bij een volgende gelegenheid de boodschapper zou laten ophangen. Bovendien kreeg Maurits weet van de zaak en verbood hij dat er nog brieven naar Schetz werden gestuurd. Daarop paste Bréauté zijn plan aan. Op een of andere manier had hij vernomen dat de zoon van Schetz, Lancelot (1604 – 1664), als commandant van een compagnie kurassiers in het kwartier van graaf Jan van Nassau (1583 – 1638) diende. Hij stuurde hem een trompetter om hem, als plaatsvervanger van zijn vader, tot een duel te bewegen. Spinola verbood Lancelot echter om op Bréauté’s vraag in te gaan, want hij wilde liever niet het risico lopen een goede officier te verliezen. Om te verhinderen dat Lancelot toch aan de verleiding zou toegeven, liet hij hem door Jan van Nassau onder bewaking plaatsen. De graaf lichtte daarop Lancelots vader in. Zijn zoon zou niet ‘verlost’ worden alvorens “de redene van zijne vasthoudinghe […] wegh ghenomen is” (Verhoeven).

Gefrustreerd door deze weigering zocht Bréauté een andere manier om de dood van zijn vader te wreken. Op 6 oktober zag hij zijn kans schoon. Die dag trok Jan van Nassau met een aantal officieren, waaronder de twee luitenants van Lancelots compagnie, naar de wachtpost van Paanhuizen om van daaruit de vijandelijke linies te bespieden. Een groep van een zestal staatse ruiters maakte, mogelijk op aanstoken van Bréauté, van die gelegenheid gebruik om de graaf en zijn gevolg tegemoet te rijden en tot een gevecht te dwingen. In de daaropvolgende schermutseling werd Jan van Nassau’s kapitein in de knie geschoten en kreeg Nassau zelf een kogel op zijn harnas. Daarop viel Bréauté een van de luitenants aan, maar die “schonck hem een balleken van een pistolet tusschen beyde zijn schouderen” (Verhoeven). Alles bij elkaar werd Bréauté “2. mael door ’t Lijf ende eens door de cop” getroffen (Courante). Hij overleed op het slagveld. Zijn lichaam werd nadien naar het raadhuis van Geertruidenberg gebracht en in opdracht van Maurits gebalsemd alvorens het naar Frankrijk werd gezonden. Zijn ingewanden werden “met groote pompe” op 8 oktober in Geertruidenberg begraven.

Het nieuws van de dood van Bréauté verscheen haast onmiddellijk in de meeste kranten. De Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren en de Courante uyt Italien en Duytschlandt namen in hun editie van 12 oktober een uitgebreid verslag van de feiten op, waarbij laatstgenoemde krant niet naliet te vermelden dat de Prins van Oranje “droevich” was over de dood van Bréauté. Verhoeven wijdde er op 16 oktober een extra editie aan. Ook de Wöchentliche Zeitung ausz mehrerley örther (nr. 44 van 1624) uit Hamburg en het Ordinari Diensttags Journal uit Stuttgart brachten het nieuws nog in oktober (nr. 43 van 1624). In Spanje kreeg de gebeurtenis weerklank via een verslag van Rodrigo de Lara. Ten slotte haalde het voorval Herman Hugo’s Obsidio Bredanae, het verslag van het beleg dat hij schreef in opdracht van Spinola, en dat nadien naar het Spaans, Engels en Frans werd vertaald. Op die manier maakte Europa opnieuw kennis met het trieste lot van vader en zoon Bréauté, die beiden vader en zoon Schetz hadden uitgedaagd en telkens in een ridderlijk duel door hun beider luitenants werden gedood.

Onderdeel van:

Jouw verhaal telt ook!

Deel het met ons en help Erfgoed Brabant Verhalen groeien!