Elsken Joosten wordt gezien als een eigenzinnige, vastberaden en uitgesproken vrouw. Zij koos haar eigen koers en week openlijk af van de katholieke norm in het Kempenland door met haar gezin het protestantse geloof aan te nemen. Het leverde haar de bijnaam ”Geuze Els” op, een bijnaam die door de eeuwen heen overgeleverd werd middels een volksrijmpje. Dit volksrijmpje is een weerspiegeling van de religieuze spanningen, verhoudingen en onvrede ten tijde van het Generaliteitsland Staats-Brabant, nadat het definitief gescheiden werd van het Hertogdom Brabant en onder het gezag van de Staten-Generaal kwam te vallen.
Het tot de Meierijse volkscultuur behorende rijmpje
Het rijmpje duikt schriftelijk voor het eerst op in de reisverslagen van dominee Stephanus Hanewinkel (1766-1856) na zijn reis door de Meierij van ‘s-Hertogenbosch in 1799. We kunnen hierdoor voorzichtig stellen dat het rijmpje is ontstaan gedurende het bestaan van De Republiek in een tijd zonder godsdienstvrijheid, vóór de Franse inval van 1795 en de daaropvolgende Staatsregeling van 1798. Volgens de overlevering die Hanewinkel optekende, was het merendeel van de protestanten (hervormden) in het Kempenland aan elkaar verwant. Dit zou het gevolg zijn van een voor hem onbekende protestantse stammoeder die spottend ‘Geuze Els’ genoemd werd en een groot aantal kinderen naliet. Haar nakomelingen verspreidden zich over de verschillende Kempenlandse dorpen en zorgden voor een sterke groei van de protestantse populatie. Het rijmpje luidt als volgt: “De Geuze Els, heeft de heele Kempen gevelst.
Het rijmpje herbergt een subtiele taalkundige geschiedenis. Binnen deze historische context verwijst het woord “Geuze” naar de volksmond- en scheldnaam voor een protestant, terwijl “Kempen” slaat op het kwartier Kempenland. Het opvallendste element in het versje is de klankrijm tussen “Els” en het woord “gevelst”. In het Meierijse dialect betekent dit letterlijk vervalst, wat in deze context gelezen moet worden als ‘bedorven’, ‘aangestoken’ of ‘verpest’.
Hanewinkel, die publiceerde onder een pseudoniem en bekendstond om zijn neerbuigende houding tegenover de katholieke Meierijenaars, meende dat het rijmpje van katholieke oorsprong was vanwege de bittere toon. Hij beweerde deze anekdote te hebben gehoord tijdens zijn verblijf in Valkenswaard, vlak voor zijn vertrek naar Budel in het Peelland. Hoewel Hanewinkel het rijmpje dus puur vanuit religieuze frustratie en dedain bekeek, heeft hij er ironisch genoeg wel voor gezorgd dat deze waardevolle folklore voor de geschiedenis bewaard is gebleven.
Genealoog Willem de Vries (1908-1977) nam de overdreven kritische blik van Hanewinkel niet al te serieus en deed het volksrijmpje af als Brabantse volkshumor. Toch was ook De Vries nieuwsgierig naar het bestaan van de legendarische Els en deed eind jaren zestig van de twintigste eeuw een uitgebreid genealogisch onderzoek naar aanleiding van het jubileum van de Maatschappij van Welstand. Aan de hand van dit onderzoek wist De Vries de identiteit van Geuze Els (Elsken Joosten) vast te stellen en bleek het overgrote deel van de Hervormden in Kempenland begin negentiende eeuw daadwerkelijk van haar af te stammen.
Na de ontdekking van het rijmpje in 1799 komen in zowel in de negentiende- als de eerste helft van de twintigste eeuw meerdere varianten van dit rijmpje bovendrijven uit verschillende hoeken van de Meierij. In deze varianten wordt naast Geuze Els ook enkele keren de bijnaam Moeder Els gebruikt. Voorbeelden hiervan zijn: ”Geuze Elst, heeft de heele Meyerij verfelst” (1883), ”Geuze Elst (of Moeder Elst) heeft heel Hapert gefelst” (1902), ”Moeder Els heeft heel de Kempen met Geus gevelst” (1918).
Leven met religieuze spanningen in een door oorlogsgeweld geteisterd Brabant
Elskens jeugd speelt zich af tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), een zeldzame periode van rust in een door oorlog geteisterd Brabant. Maar het politieke tij keert definitief in 1629. Na het Beleg van ’s-Hertogenbosch valt de Meierij in handen van de Staatse Republiek. De Kempen veranderen in een onrustig grensgebied waar Spaanse en Staatse troepen elkaar afwisselen. Midden in deze roerige periode vindt Elsken de liefde bij de smid Aert Janssen. Samen trekken ze naar het Kempische Hapert. Vanaf 1629 vestigen zij zich in een hoeve aan den Hoogebocht, vlak bij de middeleeuwse kerk.

De zeventiende-eeuwse Meierij fungeert als een harde bufferzone tussen twee strijdende mogendheden. Wanneer in 1648 de Vrede van Münster wordt getekend, verandert het dagelijks leven in de Kempen op slag. De nieuwe Staatse machthebbers voeren een strikte politiek door die de religieuze en maatschappelijke verhoudingen volledig op zijn kop zet. Met de komst van de Republiek wordt de Nederduitse Gereformeerde Kerk uitgeroepen tot de officiële staatskerk. De gevolgen voor de lokale bevolking zijn ingrijpend: de rooms-katholieke eredienst mag niet meer in de openbaarheid worden gehouden, kerken worden onteigend en komen in handen van de protestanten. Nieuwe wetten bepalen dat ambtelijke en bestuurlijke functies uitsluitend nog door protestanten mogen worden uitgeoefend. Wie macht of aanzien wil behouden, moet overstappen naar het nieuwe geloof. De man van Elsken Joosten wordt vermeld als schepen in een resolutie van de Raad van State uit 1655. Er wordt expliciet vermeld dat hij met zijn hele huisgezin is overgegaan tot “de gereformeerde religie”.
Dit protestantse machtsmonopolie maakt het gezin echter ook een kwetsbaar doelwit in de woelige grensstreek. In 1666 vallen plunderende Münsterse troepen Hapert binnen. Zij hebben het specifiek gemunt op de nieuwe Staatse autoriteiten en gijzelen de lokale predikant én schepen Aert Janssen. Pas na het betalen van 140 gulden losgeld koopt de Staat hun vrijheid.
Elsken en Aert krijgen vier zonen en vijf dochters waarvan de jongste rond het einde van de Tachtigjarige Oorlog ter wereld is gekomen. Zij vormen al snel hechte, protestantse enclaves in een overwegend katholiek Kempen. Elsken en Aert ontpoppen zich tot ware strategen. Hun doel? De toekomst en de maatschappelijke status van hun kroost veiligstellen in een regio waar protestanten de lakens uitdelen. Drie zonen weten stuk voor stuk de felbegeerde en invloedrijke functie van schepen te bemachtigen in Hapert en omstreken en één daarvan schopt een het tot vorster in Westerhoven. In de zeventiende-eeuwse patriarchale samenleving wordt ook gedacht aan de belangen van hun dochters. Elsken oefent invloed uit en beschermt zo met hand en tand de sociale positie van hun dochters door ook hun echtgenoten op ambtelijke functies te laten plaatsen. Deze functies rouleren later weer door naar de klein- en achterkleinkinderen van Elsken.
Ook aan de ongehuwde dochters wordt gedacht. Nadat het stel eerst probeert om hun gepachte hoeve aan den Hoogebocht definitief te kopen, stappen ze in 1670 naar de notaris in Hoogeloon. In een nieuw testament breken ze met de traditie: de strategische hoeve wordt overgegeven aan hun drie jongste, nog ongehuwde dochters. Zo laten Elsken en haar man een ijzersterke erfenis na en is de basis voor een gerespecteerde en invloedrijke protestantse familie gelegd ten tijde van de protestantse dominantie.
Na de dood van haar man in 1687 brengt Elsken Joosten haar laatste jaren door als weduwe in Hapert. Voor zeventiende-eeuwse begrippen bereikt ze een stokoude leeftijd als ze ergens voor maart 1696 overlijdt. De kans is aannemelijk dat Elsken nog getuige is geweest van de Franse plundering van 1688, waarbij volgens overlevering de protestantse kerk door de dragonders in brand zou zijn gestoken. Haar laatste rustplaats ligt vermoedelijk bij de fundamenten van deze voormalige middeleeuwse dorpskerk van Hapert.
Religieuze demografie en langdurige bekendheid
Het nageslacht van Elsken en Aert bepaalde door hun unieke positie tot aan de negentiende eeuw de religieuze demografie van de lokale gemeenschap. Daardoor staat Elsken Joosten bekend als de stammoeder van de Kempische protestanten. Deze nakomelingen stonden bekend als de Fabri’s, een naam die voor het eerst door een aantal van Elskens kinderen werd gevoerd. De naam is afgeleid van ‘faber’, wat smid betekent. De Hervormden waren onder de Brabantse bevolking klein in getal en zochten elkaar op als het ging om huwelijken. Uit het onderzoek naar de nakomelingen van Elsken Joosten door genealoog De Vries bleek dat er onder deze Kempische Hervormden een, wat hij noemde, “merkwaardige inteelt” was ontstaan. Ook buiten het Kempenland was haar nageslacht actief op ambtelijke posities. Zo was zij stammoeder van maar liefst zeventien schoolmeestersgeslachten die in totaal 27 dorpen in de Meierij bedienden.
Onder de protestantse minderheid in Brabant genoot Elsken Joosten een ware heldenstatus. Tot ver in de negentiende eeuw droegen haar talrijke nakomelingen haar naam met trots als een geuzennaam. Haar faam bleek destijds zelfs een tastbaar sociaal hulpmiddel: predikant Jacob van Heusden (1757-1841) merkte op dat afstammelingen hun verwantschap met de “beroemde Geuze Els” in geloofsbrieven gebruikten als aanbeveling om ondersteuning te krijgen van de door hem opgerichte Maatschappij van Welstand. Heel anders was de herinnering aan Elsken Joosten onder de overwegend katholieke bevolking in de Kempen. Tot aan het begin van de twintigste eeuw deed men haar legendarische status hier resoluut af als een historische vergissing. In de lokale katholieke folklore werd Elsken niet geëerd, maar door enkele juist herinnerd als een opruiende dwaalleraar en ketter. In de mondelinge en niet onderbouwde overlevering van de Hapertse parochie werd zij afgeschilderd als een toverheks of spook. Er deden hardnekkige verhalen de ronde over haar vermeende onzedelijkheden en haar mislukte pogingen om katholieken te bekeren. Zo zou zij volgens de overlevering opstandig gedrag hebben vertoond door vrouwelijke kerkgangers lastig te vallen en de kerkboeken uit hun handen te stoten.
Het verhaal van Geuze Els laat zien hoe één historische figuur twee totaal verschillende gezichten kon hebben in het Brabantse herinneringslandschap. Dankzij modern biografisch en genealogisch onderzoek is haar historische betekenis vastgelegd. Zo kreeg Elsken Joosten een eervolle plek in het prestigieuze project 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis van het Huygens Instituut. Daarmee staat Geuze Els definitief op de kaart als een karakteristieke en invloedrijke vrouw uit het Brabantse verleden. Maar de vraag zal vooralsnog blijven; waarom zij, en niet haar man, nadrukkelijk vernoemd werd in het volksrijmpje? Genealoog De Vries had er zo zijn ideeën over: “Ik acht het veel meer aannemelijk, dat zij haar naam ’Geuze Els’ te danken zal hebben gehad aan de wijze, waarop zij in woord en daad opgekomen zal zijn voor hetgeen men in haar tijd noemde ‘het enige ware, Christelijke Gereformeerde geloof’. Daardoor bij de Protestanten ‘beroemd’ en bij de Rooms-Katholieken ‘berucht’ geworden, zal de herinnering aan haar nog lang levendig zijn gebleven”.