Henri Cornelis Bol wordt op 10 januari 1945 geboren te Gestel, Eindhoven, als oudste zoon van kunstschilder Kees Bol (1916-2009) en Toos van ’t Hof (1918-1995). Hij brengt zijn jeugd door in de Rustenburgstraat in het stadsdeel Tongelre. Achterin de tuin staat vaders zelfgebouwde atelier. Henri groeit op met de indringende geur van olieverf en pareltjeslijm. De zomers worden steevast in Frankrijk of Spanje doorgebracht. Hier bewondert het gezin Bol de lokale kunstschatten.
Henri tekent graag als kind, en na de lagere school bezoekt hij de Grafische School in Eindhoven en de Technische School in Roermond. Daarnaast begint hij ook aan de avondopleiding van de vrije afdeling van de Academie voor Industriƫle Vormgeving in Eindhoven. Baantjes in verschillende reclamebedrijven volgen.
In de Poort van Kleef, een cafƩ op de Markt in Eindhoven, leert Henri in 1966 Gerrie Klinkenberg (1948), dochter van een Eindhovense politieagent, kennen. Ze trouwen in april 1968. Uit dit huwelijk worden 3 kinderen geboren, zoon Christiaan en de tweeling Willemijn en Charlotte.
Creatief therapeut
In 1967 solliciteert de dan tweeĆ«ntwintigjarige Henri met succes op een baan als creatief therapeut bij psychiatrisch instituut Huize Padua in Boekel. Uiteindelijk werkt hij negentien jaar als creatief therapeut in de psychiatrie. Dit werk bepaalt voor een groot deel zijn leven, niet alleen in jaren maar ook in vorming. Henri wordt er volwassen. De soms gruwelijke maar ook mooie wereld is zijn dagelijkse werkomgeving. Collega’s adviseren hem om, voor het goed functioneren in dit beroep, daarbuiten zelf ook iets creatiefs te doen. Tijdens een bezoek aan het Gemeentemuseum in Arnhem raakt hij onder de indruk van de schilderijen van Dick Ket (1902-1940), Raoul Hynckes (1893-1973), Pyke Koch (1901-1991) en Carel Willink (1900-1983) en het inspireert hem dusdanig dat hij besluit zich definitief met het schilderen bezig te houden.

Het Blaauw Laaken
In 1972 koopt Henri het rijksmonument Het Blaauw Laaken in de vestingstad Heusden aan, het zogenaamde voorhuis met zijn hoge plafond en grote ramen doet dienst als atelier. Voor het raam plaatst hij op een ezel een enkel schilderij en dat levert al snel klanten op. Ook galeries tonen belangstelling. Succesvolle exposities in onder andere Galerie Mokum in Amsterdam, Smelik & Stokking in Den Haag en Galerie Gogel in Düsseldorf volgen. Door het succes besluit Henri Bol parttime te gaan werken en in 1986 stapt hij over. Vanaf 1987 vestigt hij zijn atelier in de Heusdense Veerpoort, die een markant onderdeel is van de gerestaureerde vestingstad.
In het vrijgekomen voorhuis aan de Engstraat begint echtgenote Gerrie Bol-Klinkenberg een galerie. In het Blaauw Laaken Kunstkabinet exposeren nationaal en internationaal bekende kunstenaars hun werk. Ook Henri toont er, tot aan zijn overlijden in 2000, met veel succes zijn stillevens.

Henri Bol krijgt menigmaal van zowel particulieren als instanties en bedrijven een opdracht om een werk te vervaardigen. Voor Frits Philips (1905-2005) maakt Henri in 1995 een groot stilleven. Op het werk zien we antieke voorwerpen uit de collectie van Frits Philips waaronder enkele tinnen voorwerpen. Henri en Frits delen een groot enthousiasme voor tin. Tin verzamelen is Frits Philips’ grote passie en Henri heeft zelf ook een aanzienlijke collectie tin in bezit. Er ontstaat een vriendschap. De gesprekken tussen de twee gaan vooral over Eindhoven, kunst en geschiedenis. Henri bezoekt de Wielewaal in Eindhoven, het landgoed waar Philips al sinds 1934 woont, geregeld en Frits Philips komt graag langs in Heusden.

Stillevenschilder
Henri Bol is een fijnschilder, uitgerust met een talent dat hem in staat stelt de dingen waarheidsgetrouw, nauwkeurig en realistisch te verbeelden. Toch is hij geen pure realist. Alhoewel vele kunstcritici vaak hebben geprobeerd hem in te delen bij allerlei āismen, ziet hij zichzelf vooral als stillevenschilder. Daarbij maakt hij graag gebruik van het zogenaamde ’trompe l’oeil-effect’, letterlijk vertaald het ‘bedrieg het oog-effect’. Zijn voorkeur voor illusionistische effecten is evident in zijn schilderijen. Hij geniet van de uitdaging om moeilijke onderwerpen, zoals bijvoorbeeld glas, te schilderen en heeft technieken ontwikkeld om deze elementen op minutieuze en gedetailleerde wijze op het paneel te zetten.
Mensen spelen geen rol in zijn werk, hoogstens de sporen die ze achterlaten. Het zijn niet-alledaagse, antieke objecten die hij gebruikt voor zijn weloverwogen composities. Oude boeken, muziekinstrumenten, glazen, potten, kruiken, flessen, zakhorloges, emaillen of een zandloper behoren tot zijn onderwerpen. Vaak kiest hij ook dingen die te maken hebben met de grens tussen leven en dood, zoals schedeltjes, een dood vogeltje of een heksenbal.

Onsterfelijk
Henri Bols liefde voor voorwerpen grenst aan het bezetene. Hij is een enthousiaste verzamelaar. De geschiedenis van deze voorwerpen fascineert hem, ze hebben een bepaalde betekenis omdat ze hem iets zeggen over de gebruiker. Voor Henri roepen deze objecten een soort echo in hem op, het ontroert hem. De vergankelijkheid waarmee hij telkens weer wordt geconfronteerd vindt hij schitterend.
Aan een portret brandt Henri zich niet, hooguit is er een foto of prent van een persoon als object in zijn schilderijen terug te vinden. Toch zien we Henri soms wel op zijn schilderijen. In de spiegeling van een heksenbal heeft hij zichzelf in het schilderij geplaatst, zittend achter zijn ezel. Het interieur van zijn atelier is weerspiegeld. Het is alsof je in een tijdstunnel kijkt en dat vindt Henri ongelooflijk magisch. Het is de verbeelding van het hopeloze verzoek om zichzelf een plaats te geven. De heksenbal is een eeuwigheidssymbool, en door zichzelf erin te plaatsen heeft Henri zich onsterfelijk gemaakt.
De manier van werken van Henri Bol is geheel tegengesteld aan die van zijn vader, die veel losser werkt. Kees Bol zei over de schilderstijl van zijn zoon eens dat “Henri begint, waar ik ophoud”. Schilderen is voor Henri Bol een wisselwerking tussen symboliek, techniek en het plezier in zijn vak.