“Joke Engbersen werd 3 januari 1931 geboren, ze was de jongste dochter van Bernard Engbersen en Johanna Hermans, en woonde op de Nieuwe Prinsenkade 2 in Breda. In een groot gezin, en zeker in de crisis- en oorlogstijd, was er altijd genoeg verstelwerk te doen, al op jonge leeftijd leerde Joke sokken mazen, stoppen en ook nieuwe breien. Als jongste kreeg ze de jurken van haar zussen te dragen, ze maakte dan eigen versierinkjes, een kraagje, ceintuurtje of borduursels, zodat het er toch ‘eigen’ uitzag.

Na de Mulo volgde Joke lessen in naaien en patroontekenen bij de gezusters Verhaagen en behaalde ze haar diploma in machineschrijven, zodat ze bij haar vader op de bank van Van Mierlo als loonadministratrice aan de slag kon. Eigenlijk had Joke graag verpleegster willen worden, maar omdat je als vrouw moest stoppen met werken als je trouwde, was dat geen toekomst, want toen had ze mijn vader al ontmoet.”
Zin in een koffie
“De ontmoeting tussen mijn ouders vond plaats in 1949, tijdens de repetities van het openluchtspel De Sacramenten van Niërvaart. Jean Bergé was terug uit voormalig Nederlands-Indië (waar hij van 1945 tot 1948 als oorlogsvrijwilliger in Soerabaja gestationeerd was) en was zoekende. Zijn neef haalde hem over om mee te doen aan het mysteriespel, want er deden veel leuke meisjes mee!
Joke Engbersen deed mee als proloog-zegster (ze kon die hele proloog nog reciteren, als het zo eens te pas kwam). Als jong meisje had ze niet veel te verteren, toch had ze wel zin in een kopje koffie. Toen zij Jean Bergé, van de herenmodezaak op de Haagdijk en die met haar zus Jesje op de handelsavondschool zat, met koffie in zijn handen zag, liep zij op hem af en pakte de koffie aan met een: ‘dankjewel dat je die voor mij gehaald hebt!’. Mijn vader was verrast, beduusd en gevleid, dat zo’n leuk meisje hem zijn koffie afnam, en zo is het gekomen.

De eerste keer dat Jean zijn geliefde Joke aan zijn ouders voorstelde, zag vader Jan in die vlotte charmante verschijning iets wat hem aan zijn moeder deed denken, dus flapte hij eruit: ‘jij bent een goede voor de zaak, wat denk je, zou je het leuk vinden om in de winkel te helpen?’. Hij had het goed gezien, want waar mijn vader enkel uit plichtsgevoel in de zaak stond (hij had liever iets met geschiedenis gedaan), bleek het voor mijn moeder een glanzende carrière.”
Joke in de modezaak
“Joke en Jean trouwden 8 juni 1954 en gingen achter de zaak op Haagdijk 47 wonen. Joke had graag haar bruidsjurk zelf gemaakt, maar haar moeder stond erop dat deze door de zusters Verhaagen werd genaaid, en van Ottomanzijde, want dat was zoveel chiquer dan satijn. Nu is Ottomanzijde een geweven (rips)zijde die veel stijver valt dan satijn, Joke was niet echt blij met het resultaat, zij had het zelf veel beter gedaan. Dus niet lang na de bruiloft tornde zij heel de bruidsjapon los en maakte er een vlotte avondjurk van, die ze droeg bij de bruiloft van haar broer Ber.

Joke was al spoedig onmisbaar in de zaak, toen de kinderen kwamen, kwam er naast een medewerkster in de zaak, ook een kindermeisje om te helpen in het huishouden. Als mijn moeder achter bezig was en het was druk in de zaak, dan werd er gebeld en ging ze naar ‘voor’. Als kind wist ik niet anders, nu denk ik wel eens hoe mijn moeder dat allemaal klaar speelde. Buiten de zondag nooit een vrije dag, maandagochtend was de zaak wel gesloten maar dan was het wasdag! En ’s avonds naaide ze voor ons de leukste kleertjes.
Joke had een natuurlijk gevoel voor stijl, zij adviseerde mijn vader bij de inkoop, om naast de klassiekers ook meer gedurfde en moderne mode te kiezen. Tijdens vakantieuitjes van Jean en Joke gingen ze ook naar de gerenommeerde modehuizen, waar Joke de confectiekleding-collecties bekeek. Ze vond het niet erg dat ze haar maat 42 nooit hadden, ze deed genoeg inspiratie op om zelf haute couture te creëren. Op de modebeurzen in Amsterdam en Keulen, koos mijn moeder ook altijd iets voor Jean en zichzelf, zij waren immers het visitekaartje van de zaak. Zo droeg Joke in de winter 1967/68, als eerste in Breda, een unisex broekpak!

Mijn vader was verantwoordelijk voor de hoeden en de verhuur van gelegenheidskleding (jacquets, smokings en rokkostuums voor bruiloften, begrafenissen en white tie). Omdat mijn moeder ‘al het andere’ deed, had Jean Bergé ruim tijd om zich bezig te houden met de historie van Breda, zijn verzamelingen, lezingen en de Stedenbouwkundige Adviesraad. Het stak wel eens dat hij daarvoor waardering kreeg, terwijl zij, die dat mogelijk maakte, daarbij vergeten werd.
In de jaren ’80 had kledingmerk Fablo een overhemdencollectie van de beroemde Franse ontwerper Pierre Cardin. Er waren daar hemden bij waarvan de mouwen verkeerd waren ingezet, dus moest Joke heel de partij controleren en de ‘fouten’ terugzenden. Voor haar extra moeite vroeg zij Cardin-stof, waarvan zij een geweldige japon maakte. Deze japon was te zien in 2005, op de tentoonstelling ‘Chic’ in het Breda’s Museum.”
Van alle markten thuis
“‘Ons Jo heeft gouden handjes’, dat zei haar moeder wel eens, want wat het ook was, ze maakte het! In 1962 was ze in verwachting van haar vierde kind, ondertussen maakte ze 50 verkennersdassen en twee vlaggen voor neef Christ, die missionaris in Congo was. Daarnaast hielp ze mijn vader ook nog met een tentoonstelling liturgische gewaden en priesterkleding, in de aanloop naar het tweede Vaticaans Concilie. Later, toen de verkoop van kleding voor religieuzen was gedaald en daar geen speciaalzaken of kleermakers voor waren, maakte Joke zelf de bonnetten voor de Oud-Katholieke Kerk en toga’s voor dominees van de plaatselijke Molukse gemeenschap. Van de verdiensten van de eerste toga kocht mijn moeder, heel praktisch, een afwasmachine.

Wij kinderen hadden een vrije opvoeding gehad, waarbij we gestimuleerd werden om onze eigen weg (dus niet automatisch de zaak) te kiezen. Daarom keek mijn moeder betijds uit naar een opvolger, die ze vond in de persoon van Gaston Creemers, die als jonge gast (als vertegenwoordiger van exclusieve dassen) in de zaak kwam. Gaston nam de zaak over in 1990, samen met de naam Jean Bergé.
Na de overname bleef Joke actief, onder andere als mantelzorger en oppasoma. Samen met mijn vader werkte ze mee aan de documentaire De vlucht van Breda, maakten ze mooie reizen en vierden ze elk huwelijkslustrum, met als hoogtepunt hun Gouden Bruiloft in 2004.
Heel onverwacht, tijdens de voorbereidingen van de bruiloft van zoon Paul, stierf mijn moeder op 2 april 2005. Een heel groot gemis, maar vele mooie herinneringen.”

