Cornelis (Kees) Bol wordt op 21 september 1916 als zoon van een redelijk welgestelde bollenkweker in Oegstgeest geboren. Onder de rook van Leiden beleeft hij te midden van zijn drie broers en twee zussen een onbezorgde jeugd. In eerste instantie treedt Kees in de voetsporen van zijn vader en volgt hij een opleiding tot bloemist. Maar tijdens de economische crisis aan het begin van de jaren ā30 gaat het bedrijf van zijn vader te gronde en moet Kees zijn toekomstplannen bijstellen.
Op zijn achttiende, in 1935, vertrekt Kees op de fiets met twee kwartjes op zak naar Eindhoven. Na diverse baantjes, afgewisseld met perioden van werkloosheid zo typerend voor de vooroorlogse crisesjaren, belandt hij uiteindelijk in 1940 bij Philips als voorcalculator.
In 1941 trouwde Kees met Catharina āToosā van āt Hof (1918-1995). Dochter Anneke wordt in 1943 geboren, gevolgd door zoons Henri in 1945, Peter in 1947 en Wim in 1950.

Aan het werk bij Philips
Bij Philips ontmoet Kees amateurschilder Frans Uijen, die hem aanspoort het penseel op te pakken. Vol enthousiasme stort Kees zich in Ā schilderen. Het is dankzij Frits Philips (1905-2005) en Frans Roeterink (1894-1979), in die tijd de aanmoedigers van jong talent bij het elektronicabedrijf Philips, dat Kees schilderlessen kan gaan volgen. Eerst in ās-Hertogenbosch, daarna een dag in de week bij Jan Heesters (1893-1982) in Schijndel, en tenslotte aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Met een studiebeurs kan Kees hier in 1946 een jaar lang ƩƩn dag in de week hospiteren.
Hij krijgt les van kunstenaars Paul Citroen (1896-1983), Henk Meijer (1884-1970) en Han van Dam (1901-1975). Kees belandt in een nieuwe wereld. Citroen heeft een verzameling boeken en heeft aan het Bauhaus gestudeerd. Dat is voor Kees een blikopener, hier leert hij de wereld van de kunstgeschiedenis kennen. Meijer, de hoofdleraar aan de Haagse academie, stippelt voor hem een programma uit. Voor Kees is hij een uitstekende leraar. Heimwee naar Brabant zorgt ervoor dat Kees Bol na dat ene jaar in Den Haag met plezier weer terugkeert naar het vertrouwde Eindhoven.

Uiteindelijk besluit hij de veilige, vaste dienstbetrekking bij Philips te verruilen voor het kunstenaarsbestaan. Met een kleine financiƫle ondersteuning van Frits Philips verlaat hij de fabriek en in 1947 vestigde hij zich als fulltime schilder in de Rustenburgstraat te Eindhoven. Het is rond deze tijd dat hij ook een atelier met de latere directeur van het Van Abbe Museum, Edy de Wilde (1919-2005) deelt. Vriendschappen met collega-kunstenaars vormen zich in dit stadium, onder andere met Gerard Lutz, Janus Sibens, Frits Wichard en Hub van Baar. Vanaf deze periode maakt hij een groot aantal stillevens, portretten, landschappen en riviergezichten.
De poƫtische wereld
Kees schildert de wereld om zich heen in een spontane, losse vorm, in een geheel eigen, herkenbare toets. Op een poĆ«tische wijze, vergezeld van een subliem kleurgevoel bouwt hij zijn schilderijen snel en vakkundig op, hij is een zogenaamde schilder āa la prima vistaā, hij schildert altijd in ƩƩn ruk. Uit zijn schilderijen spreekt een intieme sfeer.

In 1950 ontvangt hij de Therese van Duyl-Schwartzeprijs voor een portret van echtgenote Toos. In 1955 heeft hij een eenmanstentoonstelling in het Van Abbemuseum in Eindhoven. Andere exposities volgen, onder andere in Het Prinsenhof in Delft, Stedelijk Museum in Amsterdam, en in De Lakenhal in Leiden.
Naast het schilderen geeft hij ook vanaf 1951 les aan de toenmalige Academie voor Industriƫle Vormgeving te Eindhoven (nu de Design Academy), afdeling vrij tekenen en schilderen. In 1963 volgt een benoeming als docent in dezelfde discipline aan de Haagse Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Tot 1972 oefent hij deze benoemingen uit.

Daarnaast is Kees Bol ook zeer actief in het verenigingsleven. Hij is bestuurslid van Kunstkring de Kempen (vanaf 1946 tot opheffing), de Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars te Amsterdam (1953-1960), Kunstenaarsvereniging de Zuiderkring Breda (1955-1958), en Stichting de Krabbedans Eindhoven (1956-1958). Daarnaast is hij van 1957 tot 1967 secretaris van de Brabantse Stichting voor Beeldende Kunst en Edelambacht te Tilburg, en medeoprichter van de Stichting Kunstzinnige Vorming Jeugdatelier Eindhoven (1958-1970). Hij is van 1975 tot 1979 commissielid Beeldende Kunst van de Culturele Raad Noord-Brabant en lid van bestuur van Museum De Wieger in Deurne (1968-1976).
Franse inspiratie
In 1960 ontvangt Kees een reisbeurs van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. En dankzij een uitwisselingsprogramma komt hij terecht in het Zuid-Franse Sainte-Enimie, een klein plaatsje gelegen in de Gorges du Tarn. Hij verblijft in het Hotel de Paris in Sainte Enimie en sluit wat een levenslange vriendschap zou blijken met de eigenaars, het echtpaar Boulot. In de jaren die daar op volgen, brengt het gezin Bol hier vaak de zomers door.

Menigmaal gaat de fotografe Rees Diepen (1925-2012) mee op reis naar Frankrijk. Ze is de dochter van een welgestelde Tilburgse textielfabrikant, en heeft haar opleiding aan de Nederlandse Fotovakschool in Den Haag gevolgd. Tante Rees, zoals zij in het gezin Bol altijd wordt genoemd, is een vakkundig reportagefotografe die zich vooral focust op de leef- en belevingswereld van het kind. Ze wordt omschreven als integer, betrokken en eigenzinnig. Ze maakt tijdens die vakanties onderweg vele fotoās van Kees, Toos en de kinderen. Prachtige en waardevolle registraties van alledaagse bezigheden, momentopnames die niet in scĆØne zijn gezet. Rees grijpt nooit in en wacht op hĆ©t moment om de knop van de camera in te drukken.

Eind jaren zestig strijkt Kees neer in het nabij de Gorges du Tarn gelegen plaatsje Rouveret, en sindsdien zetelt hij samen met Toos een aantal maanden per jaar in zijn huis aldaar, de voormalige pastorie van het dorp.
In weer en wind
In 1970 verhuist Kees Bol naar de vestingstad Heusden aan de Maas. Daar betrekt het echtpaar een rijksmonument uit 1605, gelegen in de Ridderstraat. Zowel Rouveret als Heusden, en omgeving, zijn een onuitputtelijke bron van inspiratie voor de schilder. Het liefst staat hij in weer en wind midden in de natuur achter zijn schildersezel. ās Zomers in de zon maar ook ās winters in de sneeuw.
Vanaf de jaren zeventig ontstaat er belangstelling voor de schilderijen van Kees in de wereld van kunsthandels en galeries. Zijn werk is regelmatig te zien bij Kunsthandel Lambert Tegenbosch in Heusden, Eindhoven en Amsterdam, en Galerie Smelik & Stokking in Den Haag. In 1991 opent Frits Philips een tentoonstelling van Kees in Het Blaauw Laaken Kunstkabinet te Heusden, de galerie van zijn oudste zoon Henri en schoondochter Gerrie, en dat betekent een hernieuwing van de vriendschap tussen de families Bol en Philips. Frits komt vaak naar Heusden en koopt dan werk van Kees en Henri aan.

In 1976 wordt er ter ere van zijn zestigste verjaardag een eenmansexpositie georganiseerd in het Van Abbemuseum te Eindhoven. In 1982 wordt Kees Bol benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In 1991 ontvangt de schilder de Provinciepenning Noord-Brabant. Op 7 oktober 1991 zendt de NCRV een documentaire De zoektocht van Kees Bol uit. Het toont de schilder aan het werk in Heusden en omgeving. Ook worden er opnames gemaakt in Frankrijk; in Rouveret en in de Gorges du Tarn. In 1996 werd ter ere van zijn tachtigste verjaardag een tentoonstelling georganiseerd in het Noord-Brabants Museum te ās-Hertogenbosch. Op het plantsoen, gelegen aan zijn voormalig woonadres aan de Rustenburgstraat 33, verrijst aan de hand van beeldhouwer Peter Nagelkerke (1942) in 2007 een buste van de schilder. In bijzijn van vrienden en familie onthult Kees het beeld en wordt het park omgedoopt tot Kees Bol Plantsoen.
Kees Bol overlijdt op 16 september 2009. Op zijn drieƫnnegentigste verjaardag wordt hij vanuit de Nederlands Hervormde Kerk te Heusden begraven.